Net als elke werkgroep buigt ook de Werkgroep Bolivia zich in 2011 over een visietekst om de lange termijnwerking van de werkgroep uit te stippelen. Het format van deze beleidsnota of strategienota rond Bolivia wordt aangeleverd vanuit RB02, de projectgroep die het erkenningsdossier en de projecten voor DGD zal schrijven. Is het niet voor financiering vanaf 2012 door DGD, dan dient deze nota als leidraad voor de WG Bolivia op lang termijn. Naast een contextbeschrijving van de ontwikkelingsnoden van Bolivia beschrijft het de strategische keuzes die (zullen) worden genomen in het ondersteuningsbeleid op vlak van netwerking, lobbywerk, sensibilisering, onderzoek en ‘vorming en uitwisseling’.
In 2011 worden 2 projectdossiers ingediend bij DGD. De juiste planning wordt opgesteld door de RvB, in nauwe coördinatie met de landenwerkgroepen. De nota is in grote lijnen af, in 2010 werd hier binnen de werkgroep niet veel verder rond gewerkt. De bedoeling is dat de werkgroep het beleid tov partnerland Bolivia gedetailleerd toelicht.
De WG Communicatie coördineert de publicatie van een reeks van vijf boekjes. Eén over mijnbouw en globalisering en 4 landendossiers (Bolivia, Honduras, Guatemala en Peru). Elk landendossier wordt geschreven door de desbetrefflende landenWG.
De dossiers zullen in hard copy verkocht worden (als hiervoor financiering wordt gevonden) of minimum online downloadbaar zijn via de site. Het wordt een aangename en leesbare brochure van ongeveer 64 pagina’s in het Nederlands, met een drieledige doelstelling:
Idealiter gebeurt de eindredactie in mei. Publicatie in juni. Afhankelijk van en te bepalen met de projectmedewerkers.
Op het partnerseminarie kwam de vraag om de ‘area socio ambiental’ van CEPA te versterken met een ingenieur die zowel een alternatieve audit voor de Externe Milieu Audit zou kunnen begeleiden en de samenwerking tussen de UTO, UGent, CEPA en CATAPA zou kunnen opvolgen.
CEPA wil zijn vormingstraject van vrijwillige milieupromotoren verder formaliseren en verdiepen. Daarvoor zijn extra fondsen nodig en kan een samenwerking met een internationale instantie zoals een NGO of een universiteit de kans op een accreditatie van de overheid verhogen. Ze willen graag ook een input voor de vormingen i.v.m de internationale aspecten van de mijnbouwproblematiek en eventueel specifiek technische zaken i.v.m milieumonitoring.
Overleg met CEPA en zuidmedewerker ivm noden en mogelijkheden rond de vormingsreeks: concretere doelstellingen opstellen in voorjaar 2011.
Sinds 2006 stuurden we 5 onderzoekers van de KUL en UGent naar Oruro om onderzoek te doen naar de milieu-impact van de mijnbouwactiviteiten in het stroomgebied van de Río Desaguadero. Deze onderzoeksopdrachten kwamen tot stand in samenspraak met de getroffen boerengemeenschappen. Naast het fundamentele onderzoek om het bedrijf (op lange termijn) te kunnen responsabiliseren, wilden de boeren op korte termijn voorkomen dat nog meer mensen ziek worden.
In een eerste fase wil CEPA en de UTO het drinkwater zuiveren van vijf gemeenschappen. We bekijken samen met hen de technische haalbaarheid en zorgen mee voor de nodige fondsen en internationale contacten om dit te kunnen waarmaken. Ter implementatie van de zonnedestillatoren in de gemeenschappen werd een project uitgeschreven en ingediend bij het Vlaams Waterschap Water voor Ontwikkeling. Ondertussen wordt er verder onderzoek gedaan (ism Innova en UGent) om de efficiëntie van de zonnedestilator te optimaliseren. Hiervoor werd een projectvoortsel ingediend voor de Reed Elsevier Environmental Challenge.
In december 2009 werd het project in een vergadering tussen CATAPA, CEPA en de UTO geconcretiseerd (partners, technische haalbaarheid, uitvoering, communicatie, financiering, etc). In het voorjaar van 2010 werd een projectvoorstel uitgeschreven en ondertussen werden naar fondsen gezocht. Juni 2010 dienden we op basis van dit project een subsidieaanvraag in bij het Vlaams Partnerschap Water voor Ontwikkeling (105000€ werd aangevraagd). Ter optimalisatie van de destillator (debiet verhogen) dienden we samen met Innova (hoofdaanvrager) een voorstel in voor de Reed Elsevier Environmental Challenge; in juli worden de winnaars bekend gemaakt (1e plaats 50000 dollar, 2e plaats 25000 dollar). In een latere fase kan worden uitgebreid naar meer gemeenschappen of kan bekeken worden of we kunnen ondersteunen om ook afvalwater van de mijnen te zuiveren.
Om aan de nodige fondsen voor de eigen inbreng van CATAPA te geraken werd een benefietconcept uitgewerkt (pintjesbenefiet) waarvoor potentiële ‘uitvoerende organisaties’ worden aangesproken. Begin oktober 2010 verzorgden we de catering op het bedrijf van Innova (partner in het project) op openbedrijvendag ter promotie en fondsenwerving van het waterzuiveringsproject.
De goudmijn Kori Kollo, gelegen langs de Desaguadero rivier ten noord-westen van de stad Oruro, geldt als één van de meest vervuilende sites in het stroombekken van de Rio Desaguadero en de meren Poopo en Uru Uru in het oosten van het departement Oruro. De vervuiling bereikt zowel de bodem, het grond- en oppervlaktewater, als de flora en fauna, waardoor landbouw-, veeteelt- en visvangstactiviteiten bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt worden. Bovenop deze ecologische en economische impact krijgt de lokale bevolking te kampen met gezondheidsproblemen en wordt ze verhinderd haar socio-culturele eigenheid ten volle te beleven. De Kori Kollo mijn werd tot 2009 door het bedrijf Inti Raymi (voor 88% in handen van de Amerikaanse multinational Newmont Mining) geëxploiteerd aan de hand van open pit mijnbouw. Omwille van deze diepgaande gevolgen van onder andere deze exploitatie voor het dagelijkse leven hebben de lokale gemeenschappen het door mijnbouw getroffen gebied bevolken zich georganiseerd in een basisbewering, de CORIDUP. Sinds de opstart van een sluitingsproces van de Kori Kollo mijn eist de bevolking een grondige milieu-audit van de mijnbouwonderneming. Het is cruciaal dat dergelijke milieu-audit kritisch en grondig wordt uitgevoerd zodanig dat Newmont Mining geresponsabiliseerd kan worden indien blijkt dat de impact van haar activiteiten niet gepaard ging met de nodige maatregelen en/of conform de bestaande milieuwetgeving. Bovendien is het uiterst belangrijk geen precedent te stellen voor toekomstige sluitingsprocessen in andere kwetsbare of gekwetste zones.
Gezien de onduidelijkheid over de impact van de Kori Kollo mijnbouwsite voor de plaatselijke omgeving en bevolking en de acute nood aan aangepaste actieprogramma’s ter remediëring van de vervuiling binnen de invloedszone van de site plant CEPA en CORIDUP ism CATAPA en ondersteuning van UGent een onafhankelijk onderzoek op antropologisch-sociologisch vlak en op milieu-technisch vlak. Dit onderzoek wil de doorgaans genegeerde lokale bevolking een sterkere inspraak geven door hun kennis en getuigenissen te registreren en in rekening te nemen. De resultaten van dit onderzoek zullen dienen om de aantasting van lokale ecosystemen en de gevolgen voor menselijke (over)leven in kaart te brengen. Op basis van deze resultaten zullen prioritaire zones en problemen gedetecteerd worden zodanig de te nemen maatregelen en actieprogramma’s op te kunnen stellen.
De resultaten kunnen ook gebruikt worden om naast de conclusies van de officiële auditor te leggen.
De officiële auditoria ging van start na het aanwijzen van een auditor (commissie van ingenieurs) en een fiscal (inspectie) in 2009. Na de eerste fase werden de planning, referentietermen en methodologie bekend gemaakt via een eerste rapport. Hierop formuleerde CEPA-CORIDUP met medewerking vanuit CATAPA (Studie en Lobby) verschillende opmerkingen en aanbevelingen. In het najaar van 2010 ging de 2e fase van start (afnemen van stalen, bezoek gemeenschappen) en een eindverslag wordt in mei-juni 2011 verwacht. Tegen die tijd wil CEPA-CORIDUP-CATAPA met ondersteuning van de UTO en UGent een eigen rapport op basis van een alternatieve audit kunnen voorleggen. In het najaar van 2010 werden door CEPA en UTO projectvoorstellen uitgeschreven en werden zowel door CEPA en CATAPA gezocht naar subsidiekanalen. Eind oktober werd een eerste subsidieaanvraag ingediend, bij Gentenaars zonder Grenzen (4000 euro, selectie in januari). Ondertussen is CEPA van start gegaan met het plannen van concrete activiteiten en onderzoeken.
In november 2010 werd een aanvraag ingediend bij VLIR-UOS ter capacitering van de UTO (“zaaigeld” ter facilitering van de noodzakelijke voorwaarden voor een goede samenwerking tussen de noord-zuid partners of een toekomstig 'eigen initiatief'): organisatie van engelse les aan de UTO, 3 maand stage aan UGent voor 4 UTO-werknemers, workshop in UTO door UGent-docenten ter discussie van opties voor nieuwe opleidingsprogramma’s.
Het ingediende voorstel sluit aan bij concrete vraag vanuit onze partner UTO: “Monitoreo y seguimiento a las investigaciones socio-ambientales”. Doel is dat dit project de basis biedt voor de selectie van adecuate kandidaat-onderzoekers, donatie en accreditatie door UGent van laboratrium in Oruro, financiering van socio-ecologisch onderzoek en partnerschapsakkoord UGent-Cepa-Uto op doctoraatsniveau.